Flexibel werken: Dynamiek of wildgroei?

Toelichting

In de loop der jaren is flexibiliteit op uiteenlopende manieren gedefinieerd. In dit verband gaat het meer specifiek om flexwerk en wel in tweeërlei betekenis. In de eerste plaats in de zin van flexibele arbeidscontracten, om ‘alle arbeid die in relatie met een werkgever of een opdrachtgever wordt verricht met een eindige tijdshorizon en/of een variabel aantal arbeidsuren’, werknemers met een tijdelijk contract, uitzendwerkers, oproep- of invalkrachten, zelfstandigen zonder personeel/zzp (vgl. SZW, 2011). In de tweede plaats flexwerk in de zin van flexibele werkorganisatie: het ‘nieuwe werken’, het plaats- en tijdsonafhankelijk werken, ICT-gestuurd en met grotere vrijheid voor de individuele werknemer. Beide invalshoeken zullen in de conferentie aan de orde komen.

Flexwerk, flexibele arbeid, is een thema dat sinds het begin van de jaren negentig hoog op de politieke agenda is gekomen. In die periode (vanaf 1992) is ook het CBS gestart met de registratie van werkgelegenheid naar contractvorm. Sindsdien is het nodige aan onderzoek verricht naar uiteenlopende aspecten van het flexwerk. Ook in verschillende afleveringen van TvA is aan ontwikkelingen op dit gebied aandacht besteed. Flexicurity in de zin van de balans tussen flexibiliteit en zekerheid was het centrale thema van een eind 2008 als joint venture van TvA en NVA uitgebracht TvA-special (24 no. 4). In 2011 is uitvoerig aandacht besteed aan de categorie zzp’ers in een daaraan gewijde TvA-special (27 no. 3).

Dit neemt niet weg dat er op veel punten nog behoefte bestaat aan verbreding en verdieping van inzichten in het verschijnsel flexwerk. Ten aanzien van de flexwerkers zijn er vragen omtrent:

  1. De definities van flexwerkers (tijdelijk in dienst, uitzendwerkers, oproep/afroepkrachten, al dan niet inclusief freelancers en/of zelfstandigen)
  2. De persoonssituatie van flexwerkers (leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, partner/kinderen, etniciteit, etc.)
  3. De werksituatie van flexwerkers (dubbele banen, inhoud werk, bedrijfskenmerken)
  4. Effecten van het flexwerk (gezondheid, tevredenheid, stress, etc.)
  5. Carrière-effecten van flexwerk (eindstation of opstap voor vast werk?)
  6. De motieven van werkgevers om flexwerk aan te bieden (conjunctureel of structureel?)

Ook bestaat er zeker nog geen communis opinio over de mate waarin flexwerk kan bijdragen aan economische groei en een beter functionerende arbeidsmarkt. In het verlengde hiervan is het een open vraag in hoeverre sprake kan zijn een samenhang met de conjunctuur. In hoeverre draagt de flexibele schil bij aan het aanpassingsvermogen van bedrijven, dan wel behoren de flexwerkers tot de “rafelrand” van de arbeidsmarkt? Andere vragen betreffen de nieuwe arrangementen in arbeid en sociale zekerheid die hiermee gepaard kunnen en moeten gaan en de gevolgen voor het (nu nog collectieve) systeem van arbeidsverhoudingen: zijn over 20 jaar de vaste contracten inderdaad vervangen door flexibele contracten?

Meer recent staat een nieuwe vorm van flexwerk in de belangstelling: het nieuwe werken (HNW). Met recht een containerbegrip, waarbij het in essentie gaat om “plaats- en tijdonafhankelijk, slimmer en efficiënter werken door gebruik te maken van technologische/digitale hulpmiddelen” (SER, april 2011). Naast HNW, dan wel als vorm daarvan, onderscheidt men wel het “zelfroosteren”, de mogelijkheid om voor functies waarbij plaats- en tijd ongebonden werken niet mogelijk is de werknemers zelf hun werktijd te laten bepalen. Omdat de meeste ondernemingen op dit gebied nog vrij recent een start hebben gemaakt zijn inventarisatie en evaluatie hier nog schaars c.q. gebaseerd op eerste impressies. Wel zijn er al kanttekeningen geplaatst met het oog op de gezondheidsaspecten van HNW, vooral ook omdat hiermee alle tijd potentiële werktijd kan worden.